Rapport van kapitein P. Slierendregt

Gezagvoerder van het Nederlandsch stoomschip Leerdam, bestemd van New York naar Amsterdam,
en met verlies van roer te Rotterdam aangekomen.

Pagina 2 :
's Woensdags morgens nog steeds mistig, manuvreerden met de zeilen en machine naar omstandigheden, nu en dan ons bevindende in open vakken.
Barometer steeds dalende, wind West, dreven om de Z.Z.W.; des middags mist opklarende, zagen open water in het Noorden en dreven om de Z.Z.W., op den rand van zwaar ijs; te 4 uren zagen wij een stoomschip, toonden ons signaal, vroegen om hulp. Het stoomschip koerste op ons aan en beloofde in ieder geval ons uit het ijs te slepen, doch daar het donker werd en wij al meer en meer door zware ijsschotsen omsingeld werden was het ons onmogelijk eene boot in het water te krijgen tot uitbrengen der lijnen voor sleeptrossen; we ontstaken 's avonds te 10 ure flambouwen, hetwelk niet beantwoord werd; wind en zee namen met kracht toe, aanhoudend weerlicht in het ZW en dalende barometer.
De ijsschotsen ramden met onbeschrijflijk geweld tegen het schip en deden alles kraken; de nacht was verschrikkelijk en bij het aanbreken van den dag was het gezicht allervreselijkst, het schip was geheel door een pakt zwaar ijs ingesloten en wij hadden bovendien vier groote ijsbergen op ongeveer eene scheepslengte in onze nabijheid. Wij zeilden alstoen met de fok, voorgaffelzeil en voorstengestagzeil doch het schip maakte geen voortgang; de wind nam hand over hand toe, zetten het voormanszeil vol bij en zoo gelukte het ons met veel moeite des voormiddags te 10 ure uit deze toestand te geraken. Het woei eene stijve koelte uit het westen, het schip bleef bij den wind om de Z.Z.W. liggen; met zonsondergang geen ijs meer zichtbaar; 's nachts stormweer zoodat wij het in gereedheid zijnde noodroer niet konden gebruiken, reefden de fok en voormanszeil. Het schip bleef steeds bij den wind liggen op de Z.Z.W.

's Vrijdags steeds afwisselend buiig met regen, wij probeerden ons vervaardigd noodroer van planken in gereedheid zijnde; te gebruiken, doch vruchteloos. 's Vrijdags avonds passeerde ons eene stoomboot, deden onze seinen, die niet beantwoord werden; 's avonds te 11 ure zagen wij een ander stoomboot en herhaalden ons sein. De stoomboot hield op ons aan. niettegenstaande de hooge zee en donker weer kwam de reddingsboot zoo dicht mogelijk bij ons, om te zien of er ook menschenlevens te redden waren doch een ontkennend antwoord werd gegeven. Wij deelden onzen toestand mede. Het was het Engelsch stoomschip Lord Gouch - kapitein M.Hughes. Genoemd stoomschip bleef gedurende den nacht in onze nabijheid en trachtte den volgenden morgen ons te sleepen doch alle mogelijke pogingen waren vruchteloos daar de zee te hoog was, niettegenstaandende de gezagvoerder van genoemd schip daartoe al het mogelijke deed.
rode wijn Intusschen naderde het stoomschip P.C.Caland - kap F.Bonjer, en daar de Lord Glough ons geen hulp meer kon verleenen, vervolgde zijne reis. De P.C.Caland bleef bij ons en beloofde ons in ieder geval alle hulp. Het werd donker zoodat wij niets meer konden verrichten en lieten derhalve des nachts het schip voor klein zeil drijven; de P.Caland bleef steeds in onze nabijheid.
Den volgenden dag wind en zee handzamer, besloten alvorens ons te laten sleepen het noodroer, waar wij intusschen verandering hadden aangebracht, nogmaals te probeeren en bevonden dat het zeer goed voldeed; de P.Caland was steeds bij ons, het resultaat afwachtende; we stoomden het schip op het noodroer rond met eene vaart van 5 mijl en besloten toen de reis naar Holland voort te zetten, bedankten kapitein F.Bonjer voor zijne welwillende hulp en vervolgden onze reis. Na 20 uren gestoomd te hebben brak het noodroer en daar wind en zee steeds toenamen, zetten wij het in gereedheid zijnde tweede noodroer niet overboord, omdat het geen dienst kon doen.
Dinsdag den 4en en Woensdag den 5en Maart stormweer, lagen voor stormgaffelzeil en stagfok. Donderdag 6 Maart vliegend stormweer, het schip lag als onder de zee bedolven en dreef om de Zuid. Vrijdags wind N.W. en afnemend doch steeds hooge zee; trachten met behulp van stoom en zeil het schip door den wind te brengen of met den kop om de N.O. welke onze voordeeligste boeg was, hetwelk ons gelukte doch waarbij onze fok aan flarden woei.
[3] Wij passeerden des avonds twee stoombooten, de wind was afnemende met stortregen zoodat de zee bedaarde.
Zaterdag 8 Maart lichte O.N.O. koelte, kalme zee, zetten het noodroer overboord en stoomden halve kracht, het schip stuurde zeer goed; hadden 's avonds een zeilschip in onze nabijheid; zoo stoomden wij tot 's maandags morgens 9 uur toen het roer doormidden brak, zetten een ander inmiddels gereedgemaakt noodroer overboord, doch des nachts nam wind en zee met kracht toe en daar het donker was konden wij het noodroer niet naar binnen halen, daar alle kans bestond dat de reepen onklaar van de schroef zou komen.
  • Volgende pagina