In de oproepen om bijeenkomsten bij te wonen, zoals deze voor een vergadering in herberg Eenhonderd Roe op de Haarlemmerweg op 22 april 1877, liet Ris geen spaan heel van het gezag.
"Gij weet dat de Grondwet aan alle Nederlanders zonder onderscheid, het recht van vereniging toestaat en ook waarborgt. Geen halve blinde heeft het recht dit te ontkennen"

Als zoveel Amsterdammers was Klaas Ris afkomstig van buiten de stad. In 1821 was hij in Westzaan geboren als een van de liefst negentien kinderen van een visser. Dat de kleine Klaas Ris maar een paar jaar naar school ging en al op tienjarige leeftijd op een Zaanse papiermolen uit werken moest, sprak vanzelf. Nadat de molenaar was overleden, scharrelde Ris bij verschillende andere patroons in de Zaanstreek zijn kostje bij elkaar, tot hij oud genoeg was om soldaat te worden. Na een paar jaar te hebben bijgetekend, kwam Ris in 1846 uit dienst en belandde in Amsterdam. Hij zocht er werk, maar vond er zijn Anna Maria Lunden, met wie hij begin 1847 trouwde. Het waren jaren van honger en ellende, van mislukte aardappeloogsten en dodelijke uitbraken van malaria, griep en cholera, van massale werkeloosheid en explosief stijgende broodprijzen. In Amsterdam sloeg Klaas Ris zich erdoor met behulp van het geloof zijner vader, dat wil zeggen : jarenlang bestookte hij het Armenbestuur van de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam met steunverzoeken. De doopgezinde broeders hielpen hem uiteindelijk aan werk als molenaarsknecht bij de houtzagerij van geloofsgenoot H.E. van Gelder, wiens molen De Valk aan het Noorderzaagpad stond, ongeveer waar nu de hoek van de Albert Cuypstraat en de Eerste Sweelinck straat is.
Ris kon er, met zijn vrouw en vijf dochters, gratis wonen en genoot er meer voordelen die karakteristiek zijn voor de pre-industriële arbeidsverhoudingen : ' wanneer het woei, en er was drukte' kon er worden overgewerkt, en brandstof mocht gratis mee naar huis worden genomen. Als 'pijpvoeder' van de vrijwillige brandweer kon Ris bovendien nog wat bijverdienen. Maar juist dankzij die betrekking echter zou Klaas Ris veranderen van een onopvallende werkman in een luidruchtig en geruchtmakend Amsterdammer.
Niet gehinderd door zijn bescheiden maatschappelijke positie of schamele schoolopleiding debuteerde Klaas Ris in april 1864 als schrijver. Dat een werkman schrééf was in die dagen al hoogst uitzonderlijk, maar de toon die Klaas Ris durfde aanslaan in zijn eersteling Een man een man ! Wat is een brandmeester anders dan een sjouwerman ? was werkelijk ongehoord. Ris beschouwde de bevelvoerende brandmeesters als volstrekt nutteloze figuren, die bij branden vooral de blussers in de weg liepen en op een makkelijke manier hun premies in de wacht sleepten, zonder zelf ook maar het minste risico te lopen.
Nu zullen ongetwijfeld meer spuigasten er zo over hebben gedacht, maar Klaas Ris schreef het op, liet een brochure drukken en durfde zelfs zijn naam en adres op de omslag te vermelden.
Aan het slot van zijn schrijven maakte Ris de omkering van alle waarden compleet door vast te stellen dat "een Brandmeester verre beneden een spuitgast behoorde geplaatst te worden, - ja zelfs geplaatst diende te worden benden een arme sjouwerman die met een kaartje bedeeld wordt". Zijn meerderen bij de brandweer zullen er niet blij mee zijn geweest.

Spuitpremie
De toorn van Klaas Ris was gewekt door een ogenschijnlijk klein geschil over geld. De premie voor het uitrukken en het bluswerk werden door de gemeenten uitgekeerd aan de bemanning van de brandspuiten; de brandmeester, zijn spuitgasten en pijpvoeders als Klaas Ris hadden ieder recht op een deel van die premie. Wanneer een spuitgast of pijpvoerder verstek liet gaan, kreeg hij een boete en verviel zijn recht op een aandeel in de premie. Het niet uitgekeerde deel van de spuitpremie bleef in de gemeentekas, maar Ris betoogde nu dat het verdeeld zou moeten worden onder het personeel dat wel was aangetreden. De gemeentelijke Verordening op het Brandwezen liet op dit punt onduidelijkheid bestaan, maar Ris was heilig overtuigd van zijn gelijk.
Jarenlang zou Klaas Ris zijn strijd voor hetrecht van de Amsterdamse spuitgasten in het algemeen - en dat van pijpvoerder Ris in het bijzonder - op alle denkbare fronten en met een verbijsterende gardnekkigheid volhouden. Liefst vier brochures schreef hij over de premies die hem door de neus waren geboord, een bedrag dat hij nauwkeurig becijferde op een totaal van 33 gulden en 34 en een halve cent. De burgemeester wees zijn eis tot uitbetaling echter van de hand, de wethouders sloten zich daarbij aan, de gemeenteraad, de Brandraad en de rechter ook - maar Ris gaf niet op.

1
2
3
4


Terug naar startpagina