Deel van het huishoudboekje van Klaas Ris dat Multatuli publiceerde in zijn Idee 451 (1864), om aan te tonen dat een arbeider de broekriem wel heel stevig moest aanhalen. Ris had de cijfers echter wel enigszins gemanipuleerd: inkomen uit zijn bijbaantje had hij niet opgegeven en de gratis brandstof die hij uit de houtzagerij mocht meenemen kwam evenmin in het lijstje voor.

Steeds weer schreef hij adressen aan de gemeenteraad, open brieven in de kranten, brieven aan de minister president Thorbecke en zelfs aan koning Willem III. Om het geld alleen kan het Ris onmogelijk meer te doen zijn geweest: de campagne moet hem uiteindelijk veel meer hebben gekost dan zij ooit had kunnen opleveren. Gevolg van al zijn inspanning was slechts dat Ris oneervol uit het Amsterdamse brandweerkorps ontslagen werd.
Ieder ander zou de moed hebben verloren, maar Ris werd door alle afwijzigingen juist gesterkt. Elke nieuwe tegenslag in zijn vergeefs zoeken naar "recht voor den werkman" werd in brochures en ingezonden krantenstukken breed uitgemeten. Zo werd zijn roepen om billijkheid een erezaak en hijzelf een bekende figuur in Amsterdam. Zelfs de beroemde Multatuli toonde belangstelling en vestigde in zijn bundels Ideën aandacht op de persoon en denkbeelden van Klaas Ris. In Idee 451 publiceerde Multatuli in 1864 het gezinsbudget van een "werkman"; gebaseerd op gegevens die Klaas Ris moet hebben aangeleverd. Generaties historici hebben dit budget geciteerd als illustratie van het schrijnend gebrek dat werklieden en hun gezinnen in de 19e eeuw moeste doorstaan.
Een volkomen betrouwbare bron is het budget echter niet: met name de inkomsten heeft Klaas Ris wat krap genomen. De bijverdiensten uit zijn betrekking bij de brandweer (later vervangen door de opbrengst van de brochureverkoop) bleven onvermeld en datzelfde gold voor de extraatjes waarop de molenaarsknechten konden rekenen. De opbrengst van verkochte restprodukten als zaagsel en sprokkelhout mocht het personeel van Van Gelder in eigen zak steken. Dat Ris bovendien, ondanks zijn lidmaatschap van de vrijdenkersvereniging De Dageraad, zijn leven lang een beroep bleef doen op de armenkas van de Doopgezinden, werd in het budget evenmin duidelijk. In het vraaggesprek dat Multatuli aan het budget toevoegde, mocht Ris uitvoerig klagen over het feit dat de werkman nimmer vlees at, maar zlefs die algemene klacht lijkt in dit specifieke geval weinig geloofwaardig: één van zijn beste en trouwste vrienden was slager Albert Hofman uit de Spuistraat, een kameraad die Ris in 1877 tijdens de volksaudiëntie ten paleize vergezelde en die zijn vriend en geestverwant ongetwijfeld zo nu en dan een stukje vlees zal hebben meegegeven.

De strijd tegen "binnenlandse slavernij"
Er was, zo blijkt wel uit Ris' strijdlust, meer in het geding dan zijn private grieven tegen het brandwezen. Naar eigen zeggen was Ris verwikkeld geraakt in een gevecht tegen de "binnenlandse slavernij" en in die strijd waren veel middelen geoorloofd. Ris probeerde rond 1865 de Amsterdamse werklieden op alle mogelijke manieren wakker te schudden, en de misgelopen spuitpremies waren daarbij een welkom en aanschouwelijk argument. Van socialisme was in deze brandweerkwestie nog geen sprake, maar wel vormde zich rondom Klaas Ris een kring van mensen die - precies als hij - van hun hart geen moordkuil maakten.
Dat deze groep tot meer in staat was dan het uitvechten van persoonlijke vetes met de autoriteiten, bewees de oprichting van de Amsterdamse Bouwmaatschappij ter verkrijging van Eigen Woningen in 1868. Dit mede op intiatief van Ris opgezette coöperatieve spaarplan was bedoeld om goede en goedkope woningen binnen het bereik van de arbeidersklasse te brengen. Deelnemers betaalden wekelijks een dubbeltje en van het zo bijeen gebrachte geld zouden huizen worden gebouwd. Eenmaal gereed zouden die huizen door een verloting aan de deelnemers worden toegekend.

Die zouden vervolgens twintig jaar lang een bescheiden huur betalen, waarna de woning hun bezit zou worden. Het plan was simpel, leek uitvoerbaar en het uitzicht op een eigen woning met uin moet voor de Amsterdamse werklieden hoogst aantrekkelijk zijn geweest. De leden stroomden met duizenden toe, de dubbeltjes begonnen zich op te stapelen, maar al snel rolden de bestuurders over straat, elkaar openlijk beschuldigend van fraude en diefstal.
De integriteit van Klaas Ris werd door niemand in twijfel getrokken, maar heel toevallig was het natuurlijk wel dat één van de eerste gereed gekomen woningen van de Bouwmaatschappij, gelegen aan een doodlopend zijstraatje van de Mauritskade, bij loting toeviel aan de familie Ris.

Talent voor politiek spektakel
Binnen de opkomende socialistische arbeidersbeweging van Amsterdam lijkt Klaas Ris vooral de rol van pionier te hebben vervuld. Dat deed hij als brochureschrijver en als instigator van de coøperatieve woningbouw, maar vooral als spreker op openbare vergaderingen. Vanaf 1872 had Klaas Ris regelmatig op zondagmiddag grote volksvergaderingen toegesproken in zaal Dalrust aan de Amstel, vlak bij het Amstel hotel. De vergaderingen waren formeel bijeen geroepen door de Amsterdamse afdeling van de Internationale, maar de gang van zaken leek geheel bepaald door Klaas Ris, die meestal als voorzitter optrad en vrijwel altijd als belangrijkste spreker op de agenda prijkte.

1
2
3
4


Terug naar startpagina